Wil Vlaanderen zijn onafhankelijkheid?

Auteur  
# 26/09/2007 à 13:25 Dirk Van Vlaanderen
Open brief aan de Waalse en Franstalige landgenoten en verenigingen
met kennisgeving aan de Vlamingen en hun verenigingen
Vanwege het Overlegcentrum van Vlaamse verenigingen


Geachte lezer en lezeres,


Het is vele Vlamingen opgevallen dat de RTBf uitzending ‘Bye Bye Belgium’ van 13 december 2006 een schok van verbazing, verontwaardiging, angst tot zelfs paniek veroorzaakt heeft onder de Franstalige bevolking. Daarvan getuigen de duizenden reacties in radio, televisie en pers. Het ging slechts om een ludieke reportage over de mogelijke gevolgen van een fictieve onafhankelijkheidsverklaring door het Vlaams Parlement. Een grap dus vol onwaarschijnlijkheden zoals tram en trein die stoppen aan de taalgrens en de vlucht van de Koning naar Congo. Toch hadden vele kijkers het voor waar aangenomen.
Dit geeft ons Vlamingen te denken. Hoe gering moet bij de Franstalige bevolking de kennis zijn van de maatschappelijke en politieke ontwikkelingen in België, vooral over de Vlaamse gemeenschap en haar streven naar meer politieke autonomie? Ook stoort ons de houding van vele Franstalige politici die het de RTBf deze uitzending kwalijk namen. Alsof niet alle burgers recht hebben op alzijdige informatie over de standpunten aangaande een verdergaande staatshervorming?

Sinds 1970 zijn reeds verschillende wijzigingen van de Grondwet doorgevoerd (1970,1982,1989,1993) die de unitaire staat hebben veranderd in een federale staat . Naast (niet onder!) de federale overheid erkent de Grondwet Gewesten en Gemeenschappen met eigen verkozen parlement, regering en administratie. En met eigen beleidsbevoegdheden die geleidelijk werden uitgebreid. Er is dus reeds 36 jaren een proces van verzelfstandiging van autonome deelstaten bezig. Dit proces is niet af.

De globalisering van de economie, voortgedreven door ingrijpende technologische ontwikkelingen, voeren mensen, informatie, goederen en diensten op korte tijd over de hele wereld. De concurrentie tussen ondernemingen is nu wereldwijd en zij moeten zich voortdurend aanpassen aan nieuwe uitdagingen door te rationaliseren, te herstructureren, te innoveren, door schaalvergroting, verplaatsen van bedrijven e.a.
Dat geldt ook voor de nationale staten die samenwerking zoeken om deze uitdagingen aan te kunnen. Zoals de oprichting van de Europese Unie. De europeanisering heeft echter ook gevolgen voor de nationale staten die delen van hun soevereiniteit moeten afstaan aan de E.U. Aan de andere kant dringen de regionale overheden aan op meer zelfbestuur (politieke autonomie) om welvaart en welzijn van hun bevolking veilig te stellen. In multinationale staten waar verschillende volkeren leven op een eigen grondgebied, verbonden door een eigen geschiedenis, taal en cultuur, is de drang naar ruime of volledige politieke autonomie nog sterker.

Het resultaat van de opeenvolgende staatshervormingen geeft echter geen voldoening. De stapsgewijze werkwijze was nodig om de behoudsgezinde weerstanden te overwinnen. Te veel compromissen dienden te worden gesloten. Daardoor mist de staatshervorming volledigheid, samenhang en diepgang en blijven tal van betwistingen over. Zoals over de kiesomschrijving Brussel-Halle-Vilvoorde dat door de onwil van de Franstalige partijen nog steeds bestaat. Wat volgens het Arbitragehof ongrondwettelijk is daar de andere kiesomschrijvingen samenvallen met de provincies en dus het beginsel van de gelijke behandeling geschonden is

Acht jaren geleden, in 1999, heeft het Vlaamse Parlement vijf resoluties aangenomen waarin voorrang wordt gevraagd voor de uitbouw van de autonomie van de twee grote deelstaten Vlaanderen en Wallonië, door een zo groot mogelijke uitbreiding met nieuwe bevoegdheden zoals het gezondheidsbeleid en het gezinsbeleid, en met inbegrip van de fiscale en financiële bevoegdheden. Opdat zij een samenhangend, doelmatig en efficiënt beleid zouden kunnen voeren. In 2004 is de inhoud van deze resoluties in de Vlaamse regeringsverklaring opgenomen en geactualiseerd. De bevoegdheidsuitbreiding heeft zelfs geen grondwetswijziging nodig. De Franstalige partijen hebben steeds zelfs een gesprek hierover geweigerd.

Daarover zal het gaan in de verkiezing van het federale parlement in juni 2007 en in de onderhandelingen over de regeringsvorming. Dit is de normale gang van zaken in een parlementaire democratie. En het is even normaal dat de media de burgers hierover informeren en bij de openbare discussie betrekken. Op een zo objectief mogelijke manier, maar wel vrij uit. Daarvoor moeten democraten niet bang zijn.

Een lange weg van ontvoogding…

De vraag die burgers en politici zich stellen is: hoever moet of mag dit proces van vergroting van de autonomie of politieke verzelfstandiging van de deelstaten gaan? Waarom moet men bang zijn voor dit gesprek? De grote meerderheid van de Vlamingen zijn daar niet bang voor. Reeds 175 jaar voeren zij een strijd tegen de Belgische unitaire staat, die van in het begin gericht was op het uitschakelen van het Nederlands en op de volledige verfransing van de bevolking van Brussel en van de ‘Vlaamse gewesten’. Zo verklaarde Charles Rogier, de aanvoerder van de Luikse troepen die in september 1830 het Brusselse oproer kwamen versterken, later als Eerste Minister: ‘La Belgique sera latine ou ne sera pas’.

Het Frans werd de enige voertaal van het Hof, het Parlement, en van het zich uitbreidende staatsapparaat: de administratie,het gerecht,het leger, het secundaire en hoger onderwijs en van het opkomend bedrijfsleven, ook in de Vlaamse gewesten. Omdat zij Frans spraken en de Vlamingen niet, waren het de Walen die eerst in aanmerking kwamen om de openbare ambten op te nemen. Daartoe weken velen van hen uit naar Brussel en de Vlaamse steden, waar aldus een Franstalige burgerij ontstond. De Franse taal en cultuur werden toonaangevend. Wie hogerop wilde, moest het Franstalig onderwijs door en verzaken aan zijn Vlaamse identiteit. Rond 1900 duidde dr. Lodewijk de Raet, de eerste Vlaamse econoom, dit proces sociologisch met het begrip ‘sociale taalkloof’. Hij stelde ook: ‘Taalbelang is stoffelijk belang’, want de verfransende staat onthield aldus tienduizenden openbare ambten aan de Vlamingen. En dit gedurende verschillende generaties.

Toch kwam er spoedig een tegenbeweging op gang. Tien jaar na het ontstaan van België ondertekenden en stuurden 13.000 Vlamingen een ‘petitionnement’ naar het Parlement om de achterstelling van het Nederlands aan te klagen en het herstel van de rechtsgelijkheid van hun taal te eisen. Daar werd geen gevolg aan gegeven. De administratieve en sociaal-economische verfransingsdruk werd nog opgevoerd. Maar ook het verzet ertegen nam toe en zou een algemene volksbeweging worden voor het opheffen van de culturele, sociale, economische en politieke achterstand en achterstelling van het Vlaamse volk.

De Vlamingen konden daarvoor niet rekenen op enige hulp van de nationale overheid. Zij deden het dus zelf, op eigen krachten en ontwikkelden daartoe een waaier van eigen initiatieven. Omstreeks 1900 kwam het verzet tot een hoogtepunt in de strijd om de vernederlandsing van de Rijksuniversiteit te Gent. Toch duurde het nog tot de jaren dertig vooraleer deze eis een feit was en de eerste taalwetten werden gestemd over het taalgebruik in de openbare diensten: de administratie, het onderwijs, het gerecht en het leger. Voor volwaardige Nederlandstalige universiteiten in de vrije sector, moesten de Vlamingen wachten tot de splitsing van de Katholieke Universiteit te Leuven in 1968 en tot de oprichting van de Vlaamse Vrije Universiteit te Brussel in 1970. Dat is zowat 14O jaar na de stichting van België!
In deze strijd heeft de verovering van het algemeen stemrecht een belangrijke rol gespeeld omdat het meer Vlaamse volksvertegenwoordigers in het parlement bracht die de Vlaamse verzuchtingen konden verdedigen. Een definitieve doorbraak gebeurde toen het enkelvoudig algemeen stemrecht in 1919 werd ingevoerd. De Vlamingen, de meerderheid van de bevolking, beschikten vanaf dan over de democratische politieke meerderheid om eindelijk de taalwetten van de jaren dertig te kunnen doen stemmen, in 1962 het vastleggen van de taalgrens en in 1970 de erkenning als cultuurgemeenschap met culturele autonomie.

Ook op economisch en sociaal gebied hebben de Vlamingen zichzelf uit een toestand van hoge nood, achterstand en achterstelling moeten bevrijden. Terwijl Wallonië welvarend werd tijdens de jaren van de eerste industriële revolutie dankzij de erts - en steenkoolmijnen, de ijzer - en staalproductie en de metaalconstructie, bleef het ‘arme Vlaanderen’ grotendeels het land van de zware lichamelijke arbeid in de visserij, de landbouw, de havens en de textielbedrijven. Crisisjaren in de landbouw veroorzaakten hongersnood en landvlucht. Vaders en zonen gingen werken in de Waalse mijnen terwijl de vrouwen in de Vlaamse steden gingen werken in de textielbedrijven en in de huishouding van welstellende families. Geen wonder dat de arbeidersbeweging zich in Vlaanderen snel heeft ontwikkeld, zowel onder socialistische als christen-democratische inspiratie. Het verzet tegen vernederende sociale toestanden werd nog versterkt door de taalkloof met de verfranste bourgeoisie. Met de medewerking van jonge intellectuelen richtten de Vlaamse arbeiders de eerste sociale organisaties op, in zelfbeheer en in eigen taal: vakorganisaties, ziekenfondsen, coöperatieven, studiekringen, volksbibliotheken, enz.

Deze zelforganisatie heeft de grote massa van de Vlaamse bevolking bewustzijn van eigen kracht en geloof in eigen initiatief gegeven. Dit geldt ook voor de Vlaamse boerenstand die voor haar eigen ontvoogding en ontwikkeling de Boerenbond uitbouwde. Deze mentaliteit werkt voort tot de dag van vandaag en verklaart de economische, sociale en culturele ontwikkeling die Vlaanderen sinds de jaren zestig op eigen kracht heeft voortgebracht. Daarbij heeft de vernederlandsing en democratisering van het hoger onderwijs het ontstaan gegeven aan een Vlaams en sociaal voelende laag van ondernemers en bedrijfskaderleden die in overleg en samenwerking met de werknemers en hun verenigingen levenskrachtige en toekomstgerichte ondernemingen uitbouwen. Ook de Vlaamse overheid (politici en ambtenaren) heeft door de uitbreiding van het zelfbestuur een beleid kunnen ontwikkelen dat gericht is op de behoeften, mogelijkheden en uitdagingen van de Vlaamse samenleving. Het ‘Copernicus Plan’ voor de rationalisering van de openbare administraties, is alleen door de Vlaamse administratie uitgevoerd!

… en van staats(her)vorming

De tweede helft van de 20° eeuw was de tijd van een reeks grondwetswijzigingen die onder Vlaamse maar ook Waalse sociale en politieke druk werden doorgevoerd om de Belgische staat aan te passen aan de tweeledigheid van België De grondwetswijziging van 1970 veranderde de unitaire staat (Eerste Minister Gaston Eyskens: ‘La Belgique de papa est finie!) in een federale staat. Dit hield de erkenning in van drie Gemeenschappen (de Vlaamse, de Franse en de Duitse),drie Gewesten (het Vlaamse, het Waalse en het Brussels Gewest) en de indeling van het grondgebied in een tweetalig (Brussel) en drie eentalige gebieden (Nederlands, Frans en Duits). De culturele autonomie van de gemeenschappen werd ingesteld. De door hen verkozen Cultuurraden vaardigen decreten uit met kracht van wet.
In 1980 - 1983 werd een tweede grondwetswijziging doorgevoerd die de culturele autonomie uitbreidde met de persoonsgebonden aangelegenheden zoals welzijnsbeleid en gezondheidsbeleid (maar zonder de Sociale Zekerheid). Daardoor veranderden de Cultuurraden in Gemeenschapsraden. Tevens werden de Gewestraden opgericht met bevoegdheid over de grondgebonden en sociaal-economische zaken, maar met vele uitzonderingen die federaal bleven zoals de Sociale Zekerheid. De wetgevende autonomie van Gemeenschappen en Gewesten werd uitgediept en het Arbitragehof opgericht.
In 1988 - 1989 werd het statuut van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest geregeld met dezelfde bevoegdheden als die van de andere gewesten, behalve de persoonsgebonden aangelegenheden die werden toevertrouwd aan de Vlaamse en Franse Gemeenschappen. Eindelijk werd ook het onderwijs een bevoegdheid van de gemeenschappen.

In 1993 werd dan in de Grondwet ingeschreven dat België een federale staat is met rechtstreeks verkozen deelstatelijke parlementen. De provincie Brabant werd gesplitst in de nieuwe provincies Vlaams Brabant en Waals Brabant. Maar in strijd met de federale idee bleven door de weerstand van de Franstalige politici het gerechtelijke arrondissement en de kieskring Brussel - Halle - Vilvoorde bestaan. Wat de kieskring betreft heeft het Arbitragehof geoordeeld dat daarmee het gelijkheidsbeginsel geschonden is en dat deze toestand moet opgeheven worden. Maar dit is niet gebeurd binnen de door het Arbitragehof aangegeven tijdspanne, waardoor de huidige situatie ongrondwettelijk is. Begrijpt u het ongenoegen van de Vlamingen tegenover wat zij beschouwen als een gebrek aan federale trouw of loyauteit?

Deze ontwikkeling naar autonome deelstaten met steeds meer bevoegdheden is goedgekeurd met zeer grote meerderheden: voor wijzigingen van de Grondwet met tweederde meerderheid en voor de Bijzondere Wetten door een tweederde meerderheid én een gewone meerderheid in iedere taalgroep.
Dit heeft 33 jaren in beslag genomen. Hoe kunnen burgers nog altijd doen alsof zij daar niets wisten of beweren dat zij er niet akkoord mee kunnen gaan en er zich niet bij neerleggen?
De hervorming van de staat zal verder gaan. Terug gaan kan niet. Wel is er een evaluatie nodig van wat bereikt is, wat werkt en niet werkt. Langs Vlaamse zijde gebeurt dit voortdurend naar aanleiding van de federale, gewestelijke en Europese verkiezingen en van de vele incidenten en conflicten tussen de gemeenschappen en hun regeringen, de weerklank daarvan in de media en de standpunten van vele organisaties. Gebeurt deze evaluatie dan niet langs Waalse of Franstalige zijde?
En wat nu?

Om duidelijkheid te scheppen heeft het Vlaamse Parlement op 3 maart 1999 met zeer grote meerderheid vijf resoluties goedgekeurd inzake de verdere staatshervorming. Daarin spreekt het zich uit ten voordele van een tweeledige staatsstructuur met twee volwaardige deelstaten, Vlaanderen en Wallonië, en twee gebieden met bijzonder statuut, het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en het Duitstalige gebied. Zoals langs Vlaamse zijde al is gebeurd, zou ook langs Franstalige zijde een fusie tussen Gemeenschap en Gewest de staatsstructuur evenwichtiger en eenvoudiger maken. De solidariteit zou behouden blijven op basis van objectieve, duidelijke en doorzichtige mechanismen en op wederkerigheid, maar mag niet tot gevolg hebben dat het ontvangende deelgebied per hoofd meer overhoudt dan het betalende. Aan de territoriale afbakening van de deelgebieden mag niet geraakt worden.
De tweede resolutie komt op voor de financiële en fiscale autonomie van de deelstaten. Zodat deze zelf voor eigen inkomsten kunnen zorgen en ook verantwoordelijk zijn voor hun financiële situatie.
De derde resolutie handelt over het statuut van het tweetalig Brussels Hoofdstedelijk Gewest waarin de Vlaamse en Waalse deelstaat hun persoonsgebonden bevoegdheden ten volle moeten kunnen uitoefenen. Tevens moeten zij kunnen samenwerken voor het beleid dat het plaatselijk stedelijk niveau overschrijdt zoals inzake de hoofdstedelijke en internationale functie.
De vierde resolutie handelt over het tot stand brengen van ‘homogene bevoegdheidspakketten’ om, met de mogelijkheden van een financiële en fiscale autonomie, een beter beleid en bestuur mogelijk te maken. Hierin worden uitdrukkelijk vermeld de overdracht van de kinderbijslag en van de ziekteverzekering naar de gemeenschappen die immers bevoegd zijn voor het gezinsbeleid resp. het gezondheidsbeleid.
De vijfde resolutie wijst erop dat het territorialiteitsbeginsel en de niet-inmenging in elkanders bevoegdheden door alle delen van de staatsstructuur.dient geëerbiedigd.’

In 2004 heeft het Vlaamse Parlement de resoluties van 1999 bevestigd en heeft de Vlaamse Regering enkele beleidssectoren aangeduid om die ‘op korte termijn’ te realiseren. Het gaat om ‘volledig Vlaamse bevoegdheden voor gezondheidszorg en gezinsbeleid; ontwikkelingssamenwerking; telecommunicatie, wetenschap - en technologiebeleid; meer fiscale en financiële autonomie; overheveling van de spoorinfrastructuur en de exploitatie ervan; een objectieve en doorzichtige solidariteit met de andere deelstaten; homogene bevoegdheidspakketten inzake de organisatie, de werking en de inrichting van politie en justitie…’

Aan Vlaamse zijde meende men dat de inhoud van deze resoluties zo evenwichtig en fundamenteel is voor de goede verstandhouding en samenwerking tussen de verschillende geledingen van de Belgische staat, dat zij door iedereen als vanzelfsprekend zouden aanvaard worden. Nochtans heeft men van Franstalige zijde daar nauwelijks op gereageerd. Wel werden in 2001 in het akkoord van Lambermont aanbevelingen overgenomen zoals het overhevelen van de erfenis- en registratierechten naar de Gewesten. De Vlaamse regering heeft dadelijk de aanslagvoet van deze fiscale rechten verminderd, wat ten goede kwam aan de burgers. En ook aan de overheid want de opbrengst verminderde niet, integendeel verhoogde. Het Waalse en het Brusselse Gewest hebben deze maatregel later overgenomen. Hiermede was aangetoond dat meer autonomie voor de deelstaten, als zij gepaard gaat met financiële verantwoordelijkheid en fiscale hefbomen, efficiënt kan werken en dat de deelstaten van elkaar kunnen leren. In plaats van in een eenheidsstructuur elkanders initiatieven te vertragen en te blokkeren.

Wij Vlamingen betreuren het dat de Waalse en de Brusselse Franstalige politici uit vrees voor veranderingen, dit niet willen inzien en zich verschansen in een ‘non, non et non’. Daardoor vertragen zij de toch onafwendbare ontwikkeling naar meer deelstatelijke autonomie en blijven zij de hele Belgische samenleving schade berokkenen. Ook hun eigen gemeenschap. Hoe kunnen zij met hun verkrampte houding het probleem van de werkloosheid in Wallonië (16%) en Brussel (22%) oplossen? Zij kunnen leren van de stevige Vlaamse aanpak die resulteerde in slechts 7% werkloosheid.
Maar als zij dat niet willen, dan is het logisch dat de Vlamingen niet langer geld willen stoppen in een beleid dat geen goede resultaten oplevert, uitzichtloos en Vlaanderen zwaar belast. Ieder jaar heeft er van Vlaanderen naar Wallonië en Brussel een geldoverdracht plaats van 10 miljard euro (400 miljard oude Belgische franken). Dat met harde arbeid verdiende geld heeft Vlaanderen zelf nodig. Voor de nodige investeringen om op economisch gebied internationaal mee te kunnen, om de veiligheid en de doorstroming van het verkeer te verzekeren, de uitstoot van het gevaarlijke CO2 te verminderen, de ontgroening van de bevolking te stoppen en de gevolgen van de vergrijzing aan te kunnen. 10 miljard euro per jaar, dat kan men geen gebaar van vrijwillige solidariteit meer noemen, dat is gebruik maken van de onwetendheid van de burgers. Dat kan niet blijven duren. Aan Vlaamse zijde zijn stemmen opgegaan om deze geldoverdracht nog tien jaren te investeren in een ‘Marshall Plan’ voor de economische ontwikkeling van Wallonië, op voorwaarde dat de aanwending ervan doorzichtig en economisch verantwoord zou zijn. De Waalse regering heeft wel de naam overgenomen maar het aanbod geweigerd. Deze situatie zal tot een groot conflict leiden tijdens de onderhandelingen over de vorming van de regering na de federale verkiezingen. De Vlaamse gemeenschap mag zich immers in haar ontwikkeling niet verder laten hinderen. Als Vlaanderen in de internationale economie achteruit gaat, kan het noch Wallonië noch Brussel noch de federale regering financieel blijven helpen.

Voor het Overlegcentrum van Vlaamse Verenigingen is een verdieping van de politieke autonomie van Vlaanderen en Wallonië noodzakelijk om een effectief en efficiënt beleid te kunnen voeren volgens eigen inzichten maar ook met eigen financiële verantwoordelijkheid. De resoluties van het Vlaamse Parlement zijn dan ook de enige uitweg uit de huidige blokkering. Zij komen neer op een volwaardige vorm van federalisme. De huidige vorm van het zgn. ‘unionistisch federalisme’, dat de zelfstandige beleidsvoering van de deelstaten inperkt en hindert door de beleidsnormen en de financiering grotendeels in handen van
de federale overheid te houden, is voorbijgestreefd.
Indien er na de federale verkiezingen van 10 juni 2007 geen overeenkomst kan bereikt worden over een staatshervorming zoals aangegeven in de resoluties van het Vlaamse Parlement, dan komt er wellicht geen federale regering. In ieder geval zal er dan aan Vlaamse zijde grote druk ontstaan voor de volledige politieke autonomie van Vlaanderen in de vorm van een confederatie van soevereine staten, als laatste poging om te zien of samenwerking in Belgisch staatsverband nog een kans maakt., of als men daar niet in slaagt, als onafhankelijke staat, tevens lidstaat van de Europese Unie.

Waarde Waalse en Franstalige landgenoten en verenigingen,

Wij hopen u met deze Open Brief duidelijk te hebben gemaakt wat en hoe de Vlamingen denken over het toekomstig samenleven van de beide gemeenschappen binnen de Belgische staat. Wij doen dit uit belangstelling voor u en omdat de vriendschap tussen de volkeren voor ons een belangrijk beginsel is zoals ook dat van het zelfbeschikkingsrecht van de volkeren. Wij menen dat wij als personen en gemeenschappen gelukkig naast elkaar kunnen leven en samenwerken voor gemeenschappelijke belangen indien iedereen baas is in eigen huis en de andere niet lastig valt.
Wij zouden het dan ook op prijs stellen indien zou willen nadenken over de inhoud van deze brief en ons uw bedenkingen en vragen zou willen bezorgen. Vestig ook de aandacht van familieleden, buren en vrienden op deze brief. Graag ontvingen wij ook verslagen van besprekingen in groepen en verenigingen. Dat kan via www.woordhouden.be. Via een gratis e – nieuwsbrief brengen wij verslag uit over de vele reacties die wij hopen te ontvangen.

Na de verkiezingen bezorgen wij iedereen die met ons contact genomen heeft, individueel persoon of groep of vereniging uit om deel te nemen aan Vlaams – Waalse ontmoetingsdagen om samen de hier aan de orde gestelde problematiek in een democratische sfeer te bespreken.
# 26/09/2007 à 13:30 Dirk van Vlaanderen
La Flandre réclame-t-elle son indépendance?

Lettre ouverte aux citoyens et à la vie associative de Wallonie de la Belgique francophone

De la part de l’Overlegcentrum van Vlaamse Verenigingen (Centre de Concertation d’Associations flamandes)


Cher lecteur,
Chère lectrice,


Beaucoup de Flamands ont constaté que l’émission de la RTBF du 13 décembre 2006 ‘Bye Bye Belgium’ a provoqué l’étonnement, l’indignation, le désarroi voire même la panique parmi la population francophone. En témoignent les milliers de réactions à la radio, à la télévision et dans la presse. Il s’agissait pourtant d’un reportage ludique sur les possibles conséquences d’une declaration d’indépendance fictive par le Parlement flamand. Une farce entraînant des séquelles invraisemblables telles que des trains et des trams arrêtés à la frontière linguistique ou la fuite du roi vers le Congo. Néanmoins, très nombreux étaient ceux qui ont pris la nouvelle pour véridique. Cela nous laisse à penser. Combien réduit est donc le savoir auprès de la population francophone sur les évolutions politiques et sociales en Belgique, et plus particulièrement au sujet de la communauté flamande et ses aspirations autonomistes? Tout aussi étrange nous paraît l’attitude de nombreux d’hommes politiques francophones qui ont pris à mal l’initiative de la RTBf. Comme si tous les citoyens n’avaient pas droit à une ample information au sujet de la réforme de l’Etat qui se poursuit depuis des décennies?

Depuis 1970 de nombreuses réformes de la Constitution ont été opérées qui ont transformé l’Etat unitaire en Etat fédéral. A côté de l’autorité fédérale, la Constitution reconnaît des Régions et des Comunautés avec chacune son propre parlement, gouvernement et administration. Et avec des competences qui ont été élargies progressivement. Ce processus d’autonomie se déroule depuis 36 ans et il n’est pas encore arrivé à son terme.

La globalisation de l’économie, propulsée par un développement technologique marqué, mène des hommes, des services, et des biens en peu de temps à travers le monde. La concurrence internationale est passée à l’échelle mondiale. Les entreprises sont obligées à s’adapter aux défis modernes. Les restructurations, les délocalisations sont de mise. De même, les Etats nationaux intensifient leur coopération, comme le démontre l’avènement de l’Union européenne. Cette européanisation a pourtant des consequences pour les Etats nationaux qui doivent céder une partie de leur souveraineté à l’Union européenne. D’autre part les autorités communautaires et régionales réclament plus d’autonomie (politique) pour être en mesure de maintenir la prospérité et assurer le bien-être de leurs populations. Dans des Etats multinationaux où les différents peuples habitent sur leur propre territoire, et ont des attaches communes marquées par l’histoire, la langue et la culture, les aspirations à une autonomie très vaste ou complète sont d’autant plus fortes.

Les réformes de l’Etat successives n’ont pas abouti à un résultat satisfaisant. La méthode par étapes était sans doute nécessaire pour surmonter les résistances conservatrices. Mais il a fallu accepter par trop de compromis. C’est pourquoi la réforme de l’Etat manque de cohérence, reste inachevée, et il subsiste beaucoup de différends. Par exemple, la scission de l’arrondissement Bruxelles-Hal-Vilvorde qui n’a pas eu lieu par la mauvaise volonté des parties francophones. Même si la Cour d’Arbitrage a constaté que cette situation est anticonstitutionnelle puisque les autres arrondissements électoraux coïncident avec les provinces, nuisant ainsi au principe d’égalité constitutionnel.

Voici huit ans, en 1999, le Parlement flamand avait adopté cinq résolutions, visant à renforcer foncièrement l’autonomie des deux principaux Etats fédérés, la Flandre et la Wallonie, leur attribuant de nouvelles competences comme les soins de santé et la politique des familles, en ce compris les leviers fiscaux et financiers, dans le but de réaliser dans ces domaines une efficacité et une coherence maximales. En 2004, le contenu de ces résolutions a été actualisé. Ces révendications font désormais partie de l’accord gouvernemental de la Flandre. Les transfers de compétences voulus peuvent même s’opérer sans révision de la constitution. Mais les partis francophones refusent tout débat à leur sujet.

Voilà donc l’enjeu des élections fédérales en juin 2007 et des négociations gouvernementales qui s’ensuivront. Dans une démocratie parlementaire, c’est ainsi que se déroulent les choses. Et c’est normal que les médias en informent les citoyens qui de ce fait peuvent participer aux débats. D’une façon objective et libre. Les démocrates ne reculent pas devant ce débat.


Un long chemin d’émancipation

La question que les citoyens et les politiciens se posent est de savoir jusqu’où peut aller le gain d’autonomie des Etats fédérés. Pourquoi avoir peur de ce débat? La vaste majorité des Flamands n’ont pas peur. Depuis 175 ans nous nous sommes attaqués à l’Etat unitaire, qui visait à l’origine à l’extermination du néerlandais et à la francisation complete de la population de Bruxelles et de la Belgique néerlandophone. C’est Charles Rogier, le leader des troupes liégeoises qui en septembre 1830 sont venus soutenir la révolte bruxelloise qui déclara plus tard, en tant que premier ministre: “La Belgique sera latine ou elle ne sera pas.”

Le français est donc devenu la seule langue d’usage à la Cour, au Parlement, et au sein de l’appareil d’Etat: administration, justice, armée, enseignement secondaire et supérieur et au sein des enterprises, partout en Belgique. Puisqu’ils parlaient le français, à la difference des Flamands, les Wallons avaient accès aux fonctions publiques. Ils se sont installés à Bruxelles et dans les villes flamandes, ou ils ont renforcés la bourgeoisie francophone. La langue et la culture françaises donnaient le ton. Ceux qui voulaient monter en grade, devaient passer par l’enseignement francophone et renoncer à leur identité flamande. Vers 1900, le dr. Lodewijk de Raet, le premier économiste flamand, a décrit ce processus sociologique. Il l’appelait ‘la barrière linguistico-sociale’. Il disait: ‘intérêt linguistique égale intérêt matériel’. Car l’Etat francophone rendait inaccessible des milliers de fonctions publiques aux Flamands, et ce pour plusieurs générations.

La contestation de cette situation ne pouvait pas se faire attendre. Dix ans après la fondation de la Belgique, 13.000 Flamands envoyèrent une pétition au Parlement pour dénoncer la discrimination du néerlandais et pour réclamer l’égalité juridique de leur langue. Cela resta sans conséquences. La pression socio-économique et administrative fut encore augmentée. Mais en même temps la résistance se fit plus forte et devint un vaste mouvement populaire dans le but de suspendre les discriminations culturelle, sociale, économique et politique du peuple flamand.

Les Flamands n’ont jamais connu le soutien de l’autorité nationale. Ils ont dû tout faire eux-mêmes. Les initiatives étaient nombreuses. Vers 1900 ces démarches culminaient dans la lutte pour la néerlandisation de l’université de l’Etat de Gand. Encore fallait-il attendre les années trente pourque cette révendication soit enfin réalisée en même temps que les premières lois sur l’usage des langues dans les services publics: l’administration, l’enseignement, la justice et l’armée. Quant à l’enseignement libre, les Flamands ont dû attendre la scission de l’université catholique de Louvain en 1968 et la fondation de la Vrije Universiteit Brussel en 1970. Donc 140 ans après la fondation de la Belgique!

L’introduction du suffrage universel a joué un rôle décisif dans ces acquis, puisque les représentants flamands devenaient plus nombreux au sein du parlement. Les Flamands, constituant la majorité de la population disposaient dorénavant d’une représentation politique pour faire voter les lois linguistiques des années trente, pour fixer la frontière linguistique en 1962 et pour obtenir en 1970 la reconnaissance en tant que communauté culturelle avec son autonomie culturelle.

Dans le domaine économique et social également, les Flamands ont dû se libérer d’un état de détresse considérable. Alors que la Wallonie devenait prospère pendant les premières années de la première revolution industrielle grace aux mines de charbons et à la sidérurgie, la Flandre resta pauvre. L’agriculture, la pisciculture les ports et l’industrie du textile constituaient ses principales activités économiques. Des années de crise dans l’agriculture provoquaient des famines et des vagues d’émigration. Pères et fils allaient travailler dans les mines wallonnes et les femmes travaillaient dans les villes flamandes dans le textile et en tant que ménagères au près des familles bien portantes. Aussi, les mouvements ouvriers autant d’inspiration chrétienne que socialiste se développèrent-ils rapidement. La résistance contre ce rabaissement social était aiguisée par la barrière linguistique qui séparait le peuple de la bourgeoisie francisée. Aidés par de jeunes intellectuels, les ouvriers flamands érigeaient leurs premiers mouvements sociaux, autonomes et néerlandophones: organizations syndicales, mutuelles, cooperatives, cercles d’études, bibliothèques populaires, etc.

Ce travail d’émancipation autonome a donné aux couches populaires flamandes une conscience de sa propre force et une confiance en soi grandissante. Il en va de même pour les paysans flamands qui fondaient le ‘Boerenbond’ en vue de leur émancipation sociale et culturelle. C’est cette mentalité là qui persiste aujourd’hui et qui explique en partie l’essor économique, social et culturel que la Flandre a connu depuis les années soixante. En plus, la néerlandisation et la democratisation de l’enseignement supérieur ont crée une couche d’entrepreneurs aux sensibilités flamande et sociale qui ont jeté les bases d’entreprises viables gérées en collaboration avec les employés et leurs organisations. Grâce à l’autonomie politique accordée, les autorités flamandes aussi ont su mettre en place des politiques axés sur les besoins, les possibilités et les défis de la société flamande. Le plan ‘Copernic’ pour la rationalisation des administrations publiques a été adopté par la seule administration flamande.

L’avènement de l’Etat (fédéré) flamand

La deuxième moitié du 20ième siècle était l’époque d’une série de réformes constitutionnelles qui ont été accomplies sous la pression sociale et politique flamande (mais aussi wallonne) dans le but d’adapter l’Etat belge à sa réalité binationale. La réforme constionnelle de 1970 transforma l’Etat unitaire en Etat fédéral (Premier ministre Gaston Eyskens: ‘La Belgique de papa a vécu’). Cela impliquait la reconnaissance de trois Communautés (flamande, française et allemande), de trois Régions (flamande, wallonne et bruxelloise) et la répartition du territoire en une région bilingue (Bruxelles) et trois régions unilingues (néerlandais, français, allemand). L’autonomie culturelle des communautés fut établie. Les conseils culturels promulguent des décrets ayant force de loi. En 1980-1983 une nouvelle réforme constitutionnelle vit le jour qui élargissait l’autonomie culturelle aux soins de santé et le bien-être social (mais sans la sécurité sociale). Les conseils culturels devinrent des conseils communautaires. En même temps les conseils régionaux furent créés, dotés de compétences socio-économiques, mais avec beaucoup d’exceptions comme la sécurité sociale qui demeurent du domaine fédéral. L’autonomie législative des Communautés et Régions fut consacrée, et la Cour d’Arbitrage mise en place. En 1988-1989 le statut de la Région de Bruxelles-capitale fut établi avec les mêmes compétences que les autres régions, sauf les compétences communautaires, qui étaient du domaine des Communautés. Enfin les Communautés acquérirent la compétence de l’enseignement.


En 1993 il fut inscrit dans la Constitution que la Belgique est un Etat federal et que les parlements des Etats fédérés seraient élus directement. La province du Brabant fut scindée. Cependant, contre la logique fédérale, l’obstruction des politiciens francophones a empêché la scission de l’arrondissement judiciaire et electoral de Bruxelles-Hal-Vilvorde. Entretemps, la Cour d’Arbitrage a jugé que la situation actuelle est anticonstitutionnelle. Comprenez-vous le mécontentement des Flamands à l’égard de ce qu’ils considérent comme un manque de loyauté fédérale?

La mise en place des Etats fédérés avec leur autonomie grandissante a été réalisée avec de très vastes majorités: les modifications de la constitution réclament une majorité des deux tiers; les lois spéciaux réclament en outre une majorité dans chacun des groupes linguistiques.
Ce processus a pris 33 ans. Comment les citoyens peuvent-ils ignorer cette évolution? La fédéralisation ira encore plus loin. Il n’y a pas de marche arrière. Mais une évaluation est nécessaire pour vérifier les bienfaits et les dysfonctionnements. Du côté flamand cela se fait continûment à l’occasion des élections fédérales, régionales et européennes et aussi par le biais de nombreux incidents et conflits entre les communautés et leurs gouvernements, les rebonds dans les media et les points de vue de nombreuses organizations. Cette evaluation ne tient-elle pas lieu du côté wallon ou francophone?


Et maintenant?
Le Parlement flamand a voté le 3 mars 1999 à vaste majorité cinq résolutions pour mettre les choses au clair. Ces résolutions proposent une structure binationale avec deux Etats fédérés à part entière, la Flandre et la Wallonie et deux régions à statut special, la Région de Bruxelles-capitale et la Région de langue allemande. A l’instar de la Flandre, la Belgique francophone pourrait également procéder à une fusion de la region et de la communauté, ce qui entraînerait plus de transparence et d’équilibre. La solidarité financière peut être maintenue à base de critères clairs et transparents et à base de réciprocité, mais ne saurait avoir pour conséquence qu’il reste à la région bénéficiaire un revenu net par habitant plus élevé qu’à la région qui cède des revenus. Les territoires respectifs des entités fédérés sont intouchables.

La deuxième résolution concerne l’autonomie fiscale et financière des Etats fédérés. Ainsi ils seront responsables de leurs propres revenus et de leur équilibre financier.

La troisième résolution concerne le statut de la region bilingue de Bruxelles-capitale, où les Etats wallon et flamand doivent exercer pleinement leurs compétences communautaires. Pour ce qui est de matières qui surmontent le domaine local, comme la fonction de capitale nationale et internationale, elle devrait être cogérée par les deux Etats.

La quatrième résolution vise à réaliser des ‘paquets de compétences homogènes’ pourqu’une politique intégrée soit possible, combinant les mesures réglementaires et fiscaux.

La quatrième résolution réclame explicitement le transfer des allocations familiales et de l’assurance-maladie aux Communautés qui sont déjà résponsables pour la politique familiale et des soins de santé.

La cinquième résolution demande le respect pour le principe de la territorialité et la non-ingérance dans les compétences des autres entités fédérales.

En 2004, le Parlement flamand a confirmé les résolutions de 1999. En même temps, le gouvernement flamand a indiqué les aspects à réaliser ‘à court terme’. Il s’agit notamment des soins de santé et de la politique familiale, de la politique de l’aide au développement, de la télécommunication, de la politique scientifique et technologique, de l’augmentation de l’autonomie fiscale, du transfer des infrastructures ferroviaires et de leur exploitation, d’une solidarité objective et transparante, des paquets de compétences homogènes concernant l’organisation et le fonctionnement de la police et de la justice…

Du côté flamand, l’on a cru que le contenu de ces résolutions était équilibré et à tel point fondamental pour la bonne entente et la coopération entre les entités de l’Etat belge, que leur adoption devait aller de soi. Mais du côté francophone, il n’y avait guère de réactions. Toujours est-il qu’en 2001 l’accord de Lambermont a réalisé le transfer des droits de succession et de régistration aux Régions. Le gouvernement flamand a tout de suite diminué le taux de ces droits fiscaux, ce qui était un bienfait pour les citoyens, sans entraîner une réduction des revenus de l’Etat, au contraire. Les Régions bruxelloise et wallonne ont ensuite pris des mesures similaires.
Ce qui démontre que l’autonomie des Etats fédérés, si elle est accompagnée de responsabilités fiscales, peut être efficace et que les Etats fédérés peuvent se prendre pour exemple. Ce qui vaut mieux que de se saboter et bloquer mutuellement toute initiative.

Les Flamands regrettent que les politiciens wallons et francophones bruxellois s’inspirent surtout par le la crainte du changement et se cantonnent dans des positions négatives (‘non, non et non’). Ils ralentissent ainsi une évolution qui est pourtant inéluctable vers plus d’autonomie et ils portent atteinte contre la société belge, y compris contre leur propre communauté. Comment résoudre, avec une attitude tellement crispée, le fardeau du chômage en Wallonie (16%) et à Bruxelles (18%)? N’ont-ils pas d’exemple à tirer de l’approche flamande (7% de chomeurs)?

Mais s’ils ne le veulent pas, n’est-ce pas logique que la Flandre soit lasse d’investir dans des politiques qui ne donnent pas de résultats positifs, qui semblent sans issue et qui pèsent comme une lourde charge pour la Flandre. Chaque année, un transfer financier de quelque 10 milliards d’euros a lieu entre la Flandre et la Wallonie. La Flandre a elle-même besoin de ces revenues, fruits de ses propres efforts, pour assurer les investissements nécessaires pour ancrer sa position économique dans le monde, pour améliorer la sécurité routière et la mobilité sur son territoire, pour diminuer l’émission de CO2 toxique, pour contrer la dénatalité et pour tenir tête aux conséquences du vieillissement de la population. 10 milliard d’euros, ce n’est plus un geste de solidarité spontané, c’est abuser de l’ignorance des gens. Cela ne peut durer. Du côté flamand des voix se sont élevés pour proroger cette solidarité pendant dix ans encore, en la canalisant vers un ‘marshall plan’ pour le développement économique de la Wallonie, à condition qu’il s’agisse d’investissements rentables et durables du point de vue économique. Le gouvernement wallon a repris le nom, mais refuse l’offre. Cette situation mènera vers un conflit d’envergure pendant les négociations sur la formation d’un nouveau gouvernement après les élections fédérales. La communauté flamande ne saurait se voir incommodé dans son développement. Si elle perd son ancrage économique dans le monde, elle ne saura plus soutenir ni la Wallonie, ni Bruxelles ni la Belgique.

Pour le’Overlegcentrum van Vlaamse Verenigingen’, l’approfondissement de l’autonomie politique de la Flandre et de la Wallonie est nécessaire afin de mener des politiques d’après les conceptions propres et sous sa propre responsabilité financière. Les résolutions du Parlement flamand constituent la seule issue de l’impasse actuelle. Ce serait l’instauration du fédéralisme achevé. La variante actuelle, c’est à dire le ‘fédéralisme d’union’ qui empêche les Etats fédérés de mener à bien leurs politiques en gardant tous les leviers financiers confinés au niveau federal, est dépassé.

Si, après les élections du 10 juin 2007, un accord au sujet de la réforme de l’Etat s’avère impossible, il n’y aura peut-être pas de gouvernement fédéral. Du côté flamand en tout cas, la pression pour réaliser l’autonomie politique totale de la Flandre se verrait renforcée, soit qu’elle prenne la forme d’une confédération d’Etats souverains, en dernier essai pour voir si la coopération au niveau belge serait encore viable, soit, si même cette piste-là est exclue, en tant qu’Etat indépendant, membre de l’Union européenne.


Chers Wallons, francophones,

Nous espérons avoir expliqué ce que les Flamands pensent de la cohabitation future des deux communautés au sein de l’Etat belge. Nous faisons cela pour l’intérêt qu’on vous porte et parce que l’amitié entre les peuples est un principe fondamental, comme l’est celui de l’autodétermination des peuples. Nous croyons que, en tant que personnes et en tant que peoples, nous pouvons cohabiter dans les meilleures conditions, en collaboration étroite pour les intérêts communs, à condition que chacun soit maître chez soi sans imixtions mutuelles.

Nous vous saurions gré de réfléchir sur le contenu de cette lettre et nous formuler vos remarques et questions. Attirez l’attention de vos membres de famille, voisins et amis sur cette lettre. Nous aimerions également recevoir les compte-rendu de vos débats et discussions au sein des associations dont vous faites partie. Cela peut se faire via www.woordhouden.be. Un bulletin d’information électronique gratuit fera état des réactions que nous espérons recevoir nombreuses.

Après les élections, nous ferons parvenir à tous ceux et celles qui nous auront contactés, à titre individuel ou dans le chef d’un groupe ou association, une invitation à participer aux journées de rencontre flamando-wallons pour débattre ensemble et de façon démocratique de la problématique évoquée ici.

Nous vous remercions de vos réactions et vous prions d’agréer
# 27/09/2007 à 13:24 Bert
Dirk, ofwel zijn ze allemaal van hunne stoel gevallen van het verschieten ofwel begrijpen ze het niet.

10.000.000.000 euro geven die vuile "extremisten" aan Wallonie, elk jaar opnieuw!!! Waar zijn de resultaten van deze investeringen? Deze luizige petitie?
# 27/09/2007 à 22:13 Jacques
Ik ben Jacques Halewyck en ik woon in de omgeving van Oostende.

Ik ben BELG en FIER TE ZIJN. IK BEN TEGEN de onafhankelijkheid van Belgie.

Nooit genoeg steun voor ons mooie Belgische landje.
Wat zou de Belgische kust zijn zonder de Franstaligen die hier miljoenen komen spenderen
# 27/09/2007 à 22:14 Jacques
Heu ... ik ben tegen de onafhankelijkheid van Vlaanderen ... natuurlijk ... da's emotie

Excuss.
# 27/09/2007 à 22:27 Hubert Vermeulen
België moet één land blijven
# 28/09/2007 à 13:07 Walter
Ik zeker niet ! Belgie MOET niet gesplitst worden !

Kafka heeft er niets aan. De onbekwaamheid van enkele politiekers met extreme gedachte horen niet te regeren. Ik denk hier namelijk aan De Wever of Leterme.
We zijn Belgen, Nederlandstalig, Franstalig of Duitstalig en dat is onze kracht.
# 28/09/2007 à 13:24 Bert
Frantaligen die miljoenen spenderen aan de kust ..... tja .... wat kan ik daar op zeggen.
Als dit het niveau is van de argumentatie dan staan we machteloos vrees ik .... Waalse transfers naar Oostende!
Répondre à ce message

Vous utilisez un logiciel de type AdBlock, qui bloque le service de captchas publicitaires utilisé sur ce site. Pour pouvoir envoyer votre message, désactivez Adblock.

Créer un site gratuit avec e-monsite - Signaler un contenu illicite sur ce site